Dilettant van professie
Kees 't Hart
Grunberg bracht 74 essays over lezen en schrijven bij elkaar. Meest stukken over werk van schrijvers die hij waardeert. Zeven over Coetzee, drie over Multatuli, Karel van het Reve komt een paar keer langs, Kafka. Niet veel essays over Nederlandstalige schrijvers: Elsschot, Rijneveld, Kellendonk, Herzberg, Wolkers, Minco.
Bij Minco stelt hij dat haar werk vooral bestaat uit een afrekening met een vorm van ‘verplichte aardigheid’ die na de oorlog ontstond. Ook haar soms absurdistische verhalen die niet direct aan de oorlog zijn te relateren waardeert hij: ‘Maar het zijn Minco’s exacte beschrijvingen, haar diepe besef dat de wereld zoals die zich aan ons voordoet uit weinig meer bestaat dan die aardigheid waartoe sommigen van ons zich verplicht voelen, die deze verhalen in de meeste gevallen het gedachte-experiment doen ontstijgen.’
Af en toe maakt hij over Nederlandse literatuur generaliserende en badinerende opmerkingen, ze zou vooral ‘voortkabbelen’. Er zijn een paar mooie persoonlijke ontboezemingen over het begin van zijn liefde voor literatuur, bijvoorbeeld over Francois Haverschmidts Snikken en grimlachjes. Hij waardeert schrijvers die hun personages laten worstelen met maatschappelijke hang-ups, taboes, die ‘het gezicht van de werkelijkheid ontsluieren’, maar niet schrijvers die morele of ethische boodschappen aan de man proberen te brengen.
Kern: Grunberg wantrouwt literatuur. Alle literatuur, ook die van hemzelf, omdat ze in de grond berust op illusies en verleiding. Ook de meest intense en wanhopige literatuur hanteert kunstjes, ‘schrijftechnieken’ die de ‘waarheid’ inkleden, vervormen, aan het oog onttrekken. Dat mensen zich ‘in het echt’ over hun bestaan, dat niet meer is dan uitstel van de dood, allerlei illusies laten aanpraten, of zichzelf aanpraten, is nog tot daaraan toe – het zou beter zijn wanneer ze dit niet deden – maar literatuur doet daar een schepje bovenop en zet dubieuze retorische technieken in om vertrouwen af te dwingen.
Schrijvers verlenen zichzelf volgens Grunberg autoriteit waar ze, als je het goed bekijkt, geen enkel recht aan kunnen ontlenen. Het zijn oplichters en nepartiesten die kunstgrepen inzetten om lezers op te zadelen met nieuwe illusies: hoop en verzoening. Mooi is hierbij natuurlijk dat hij zelf een gelauwerd romanschrijver is die als geen ander de technieken van de schrijfkunst beheerst, die zich als autoriteit opstelt en topattractie is in het circus van de literaire hoogstandjes. Hij is clown en trapezewerker tegelijkertijd. Hij is zich hiervan bewust, dit geeft zijn essays een paradoxale bijklank, waarbij ik vaak genoeg glimlach. Toe maar jongen, geef jezelf maar weer flink straf. Dit maakt zijn essays goed te pruimen, hij weet het gewoonweg niet beter dan wie dan ook. Dat spijt hem, hij wil graag de beste zijn en alles beter weten, maar zo zit het nu eenmaal niet. Schrijven helpt niks, het is belachelijk, onzinnig, niemand heeft er iets aan, ja, ‘de werkelijkheid ontsluieren’, maar met behulp van technieken uit de reclame-industrie.
Zijn werk brandt van verlangen naar inzicht, naar anderen, vergezichten, vondsten
In een fraai essay over Sebald staat het zo: ‘Ook de vertelstem zonder autoriteit is een vertelstem die tegen wil en dank uiteindelijk toch weer autoriteit verkrijgt. Ook Sebald verleidt, zij het op nukkige wijze, met onmiskenbare tegenzin.’
Onmiskenbare tegenzin doordesemt Grunbergs oeuvre, maar die tegenzin vertaalt zich niet in taaie suffige zinnen en boeken. Zijn werk brandt van verlangen naar inzicht, naar anderen, vergezichten, vondsten en hij vindt ze vaak genoeg, ook in deze essays. Er is iets paradoxaals messiaans in deze schrijfopvatting. Hij wil het liefst zo weinig mogelijk betekenen, in ieder geval geen beroepsschrijver zijn, maar hij wil zijn betekenisloosheid van de daken schreeuwen. Hij vertoont zich in praatprogramma’s, houdt toespraken tijdens landelijke herdenkingen, schrijft over maatschappelijke kwesties, maar gehuld in een wolk van schaamte. Schrijven hoort niet. Omdat schrijven gezag probeert af te dwingen en gezag moet worden gewantrouwd.
Dit is een belangrijk verschil tussen Grunberg en Multatuli, de laatste had het volste vertrouwen in zijn gezag. Grunberg is ondanks zichzelf in de Nederlandse samenleving uitgegroeid tot een gezagdrager pur sang. ‘Ivoren torens’, schrijft hij in een artikel over een studie van Thomas Vaessens, ‘worden bewoond door nieuwe rijken, die barbaarser lijken dan de oude, maar er zijn nog onderaardse gangen, de natuurlijke habitat van een schrijver.’
Ik had graag een essay van hem gelezen over het werk van Jacq Vogelaar die zich met meer succes dan hij toelegde op een levenslang verblijf in de onderaardse gangen van de literatuur en de samenleving. Grunberg is een publiek figuur tegen wil en dank, ik heb niet het idee dat dit een pose is of koketterie, het komt voort uit een gevoel van wantrouwen dat zijn leven en werk beheerst. Ten koste van alles buitenstaander willen zijn, wat hij allang niet meer is. Hij is niet in staat zich bij wie of wat dan ook aan te sluiten en dat is maar goed ook: zonder deze onwil zou zijn werk niet tot grote hoogte kunnen stijgen, zoals dat ook regelmatig in deze essaybundel gebeurt. Tegenspraak is zijn middle name.
Grunberg bespreekt in deze bundel schrijvers met wie hij zich verwant voelt, aan wie hij iets heeft, die hem verder kunnen brengen. Schrijvers die hun eigen autoriteit proberen te ondergraven, die mooischrijverij het ergste van alles vinden, die zich niet opstellen als kenners van literatuur of als beroepsschrijver door het leven gaan. Grunberg wil beginner blijven, een dilettant, ik bedoel dit als geuzennamen, een schrijver van literatuur moet altijd bereid zijn als een beginner te opereren.
Je ziet dit in de schrijfwijze van zijn essays. Hij begint steeds opnieuw, valt niet terug in oeverloze overzichten over een oeuvre of een leven, of wat hij er al eerder over heeft geschreven, verdomt het om ‘academisch’ te schrijven maar dwingt zichzelf opnieuw te beginnen. Hij zoekt en zoekt naar een inval, een vondst, een raar verhaal, en begint van daaruit al associërend en tastend. Grunberg is niet op zoek naar de ‘kern’ van een boek of een schrijver, of naar iemands plaats in ‘de’ literatuurgeschiedenis, maar altijd naar intentie, verlangen, wanhoop en tegenspraak. Naar kansen die een schrijver hem biedt. Grunbergs essays gaan over zijn eigen werk, het zijn toetsstenen. Hij maakt graag gebruik van wilde uitspraken (‘vrijen is slachten’) waarbij ik dan in de kantlijn ‘o ja?’ zette, of ‘zal wel’ of ‘lulkoek’. Grunberg heeft lulkoek nodig om tot zijn beste stukken te komen. Hij gelooft niet in literatuur en daarom schrijft hij.
Lees verder op a href="https://www.groene.nl/artikel/dilettant-van-professie">Groene.nl>