In ‘Waarheidsliefde en biefstuk’ oefent Arnon Grunberg voor het verlies van alles
Yra van Dijk
In zijn gebundelde essays over schrijven en lezen maakt de provocerende Arnon Grunberg van de beginjaren plaats voor een schrijver die literatuur nodig heeft om de waarheid op het spoor te komen.
‘Over de tekst en het leven’, heet het voorwoord dat Arnon Grunberg (1971) schreef bij zijn gebundelde essays. Die titel dekt de inhoud van het lijvige boek uitstekend, beter dan de eigenlijke titel: Waarheidsliefde en biefstuk. Want als iets duidelijk wordt uit vijfhonderd pagina’s van Grunbergs lezingen, inleidingen en recensies van de voorbije vijfentwintig jaar, dan is het dat tekst en leven voor de auteur volledig verstrengeld zijn. Hij leerde leven door het lezen, en lezen is voor hem alleen relevant als het je iets leert over het leven.
Dat laatste is natuurlijk een open deur van jewelste. Waarom zou je anders literatuur lezen? Maar de banaliteit van die poëtica hangt er maar net vanaf hoe je “het leven” invult. In de ogen van P.C. Hooftprijswinnaar Grunberg bestaat het leven nu eenmaal niet uit frambozentaartjes eten op een zonnig terras. In plaats daarvan ziet hij het leven als een ingewikkelde aaneenschakeling van groteske, tragische en wrede ervaringen met zo nu en dan een onverklaarbare opleving van hoop. En van verlangen. Maar zelfs dat verlangen heeft weinig schoonheid in zich. Grunberg confronteert de lezer ermee ‘‘hoe schrijnend het verlangen eigenlijk is, hoe agressief, hoe moordlustig en hoe vernietigend’, zoals hij schrijft naar aanleiding van het werk van Elfriede Jelinek. Dat oeuvre voldoet in alles aan wat voor Grunberg de definitie van fictie is: “een repetitielokaal waar gerepeteerd wordt voor het verlies van alles”, zoals hij schrijft in een ander essay, over J.M. Coetzee.
Het zijn onder andere de zeven essays over Coetzee, verspreid door de chronologisch geordende verzameling, waarin Grunberg expliciet maakt wat hij wil van de roman. Literatuur zorgt voor vervreemding en speelt de subversieve rol van het verkondigen van het anti-ideaal “dat de menselijke staat een staat is van gebroken-zijn”. Als een roman daar recht aan doet, zo schrijft Grunberg, kan lezen een bijzonder moment van inzicht betekenen: “Wanneer men zich over de tekst buigt, komt het leven tevoorschijn”, schrijft hij in de inleiding: “Die ervaring zou je zonder al te veel overdrijving een mystieke ervaring kunnen noemen.” Daarin is ook het contact tussen schrijver en lezer van het grootste belang. Teksten zijn voor Grunberg “brieven aan vrienden, (…) berichten van het ene geïsoleerde leven naar het andere, niet altijd een ongevaarlijke, niet per definitie een frivole bezigheid.”
Voor wie de ironische en nihilistische provocateur Grunberg kent van zijn vorige bundeling van vijfentwintig jaar geleden, De troost van de slapstick, komen zulke uitspraken als een verrassing: “Zelfs de steen verandert van vorm door wind en zand, onveranderlijk is vrijwel niets”, stelt hij daarover droog vast. Hij vertelt hoe literatuur hem heeft “gered” na zijn ingewikkelde jeugd met door de oorlog getraumatiseerde ouders. Opnieuw is het een citaat van Coetzee dat goed samenvat waarom literatuur dat kan: ‘‘Een boek moet een bijl zijn om de bevroren zee in ons binnenste open te hakken. Wat zou het anders moeten zijn?”
Dat Grunberg die bijl vooral lijkt te vinden in teksten van witte mannen is wellicht te begrijpen, maar daarover was wel iets meer te zeggen geweest dan de ironische passage in de inleiding. Hanteren vrouwelijke of niet-westerse auteurs de bijl minder? De wand van Marlen Haushofer zou een typisch Grunberg-boek zijn, Drie sterke vrouwen van Marie Ndiaye eveneens.
Naast Coetzee zijn er meer terugkerende helden in Grunbergs universum: Joseph Roth, Marek Hlasko. Soms zijn het ook liefdes tegen wil en dank, zoals voor het werk van Jens Grondahl lijkt het, wiens werk hij “vettig” noemt, en die hij (terecht) ook wel op keukenmeidenromans vindt lijken. Dat enkele van zijn helden (Tadeusz Borowski bijvoorbeeld) hier ontbreken, is omdat Grunberg ervoor koos om geen essays over oorlogsliteratuur op te nemen. Maar in de loop van Waarheidsliefde en biefstuk zie je dat de oorlog kruipt waar die niet gaan kan, en opduikt bij vele van de besproken auteurs, niet in de laatste plaats omdat daar veel Joodse schrijvers bij zitten: naast Joseph Roth ook bijvoorbeeld Giorgio Bassani, Amos Oz, Isaac Singer, Judith Herzberg en Marga Minco.
Grunbergs literatuuropvatting is sterk beïnvloed door wat zij schreven over de wrede geschiedenis van Europa in de twintigste eeuw, en daarnaast door zijn eigen reizen naar allerlei hedendaagse brandhaarden. Hij heeft genoeg van de wereld gezien om weinig vertrouwen te hebben in de mens: gemakzuchtig humanisme is Grunbergs grootste kop van Jut, en de roman kan ons dus niet opvoeden. In plaats daarvan pleit hij voor literatuur die ontheiligt, hij noemt dat een vorm van waarheidsvinding: “Wie oog heeft voor het komische of het absurde humaniseert het gruwelijke; hij maakt duidelijk dat het gruwelijke geen zaak is van de goden, maar van de mensen.”
De waarheid van Grunbergs eigen romans komt neer op het ontmaskeren van elke vaste morele positie als in zichzelf denkbeeldig. In een essay citeert hij Coetzee die Sartre citeert. Zelden las ik iets dat Grunbergs inzet zo uitstekend samenvat: “De taak van de schrijver is om op zo’n manier te handelen dat niemand meer onwetend over de wereld kan zijn, dat niemand meer kan zeggen dat hij niet schuldig is aan waar het allemaal om gaat.”
Zo kan ik blijven citeren uit de essays, die vol staan met mooie en geestige aforismen, vooral in de jonge jaren van de auteur strooide hij daar graag mee (“Boeken zouden een sluipend vergif moeten zijn”, “Net als de meeste mensen lijken de meeste boeken op elkaar”). Naarmate hij ouder en meer ervaren wordt, zijn de stukken dienstbaarder: aan de lezer en aan de literatuur die hij beschrijft. Grunberg gebruikt ze dan minder om zijn eigen stijl en ideeën te toetsen en al helemaal niet meer om te provoceren, zoals hij deed in zijn eerste jaren als essayist. Wat niet verandert, is de zwier waarmee hij schrijft. “En verder zijn me de koetsjes bijgebleven”, concludeert Grunberg bijvoorbeeld na de gehele Op zoek naar de verloren tijd van Proust te hebben gelezen. Of: “Humboldts gift is een leeslijst vermomd als roman.”
Maar de bundeling is veel meer dan een serie oneliners of tegeltjeswijsheden over literatuur. Het is ook de wordingsgeschiedenis van een schrijver en een publieke intellectueel. Iemand die, vanaf het moment dat literatuur hem redde (“Gered van mijn ouders, gered van mezelf, gered van de onaanzienlijkheid, gered van de onzichtbaarheid, gered van de liefdeloosheid, gered van het niets”), onderzoekt wat literatuur kan betekenen in het licht van de onleefbaarheid.
7 Grunberg Waarheidsliefde en biefstuk
Zo gaat dit boek ook over de taak van de schrijver, die overbodig geworden lijkt sinds hij niet meer hoeft te bemiddelen tussen het goddelijke en het menselijke: “een tierelantijntje” is hij geworden. Bij die overbodigheid legt Grunberg zich niet neer. Begonnen als cynicus, is hij in de loop van zijn schrijverschap steeds dieper doordrongen geraakt van het belang van zijn rol en van de noodzaak van literatuur om de waarheid op het spoor te komen: “Als ik een magiër wil zijn voor deze tijd, een bemiddelaar tussen het onleefbare en het economische, wie houdt mij dan tegen?”